Wat is brugada

Bron video: xpertdox De video is Engelstalig en Nederlands ondertiteld

Het normale hart

Het hart is een bijzondere spier, die regelmatig en continu samentrekt en daarmee bloed door het lichaam en de longen pompt. Het hart heeft vier kamers: twee aan de bovenkant (de boezems) en twee aan de onderkant (de ventrikels). De pompactiviteit wordt in gang gezet door elektrische signalen in het hart. Deze elektrische signalen herhalen zich als in een cyclus en iedere cyclus betreft een hartslag. Als de elektrische activiteit van het hart verstoord is, is er sprake van een hartritmestoornis. Hierbij kan de pompfunctie eveneens verstoord worden.

Brugada syndroom

Het Brugada syndroom is een zeldzame erfelijke hartritmestoornis. Door een verstoring van de natrium instroom in de hartspiercellen, kunnen ernstige hartritmestoornissen ontstaan.

Natrium

Prevalentie en erfelijkheid

Het Brugada syndroom komt voor bij 1:2000 – 1:5000 personen (de prevalentie van de ziekte). Brugada syndroom is een erfelijke ziekte. Dit betekent dat het wordt veroorzaakt door een afwijking (een mutatie) in een gen dat doorgegeven wordt binnen families. Een gen bestaat uit DNA dat een code bevat om eiwitmoleculen te maken. 

Iedereen heeft twee kopieën van ieder gen, ook van die die aan het Brugada syndroom gerelateerd zijn: één van vader en één van moeder. Het Brugada syndroom kan veroorzaakt worden door een mutatie in een gen dat betrokken is bij de opbouw van  natriumkanalen in de hartspiercellen. Dit gen heet het SCN5A-gen. 

Als het Brugada syndroom wordt veroorzaakt door een mutatie in het SCN5Agen dan is het een zogeheten autosomaal dominante aandoening. Dit betekent dat een mutatie in één van de twee SCN5A-genen (van vader of van moeder), voldoende is om de aandoening te kunnen ontwikkelen. Een ouder die de mutatie bij zich draagt heeft 50% (1in 2) kans om de mutatie door te geven aan ieder kind.

De kans dat het kind de mutatie niet bij zich zal dragen is eveneens 50%. Soms ontstaat een (nieuwe) mutatie in de ei- of de zaadcel of in het embryo. In deze situatie ontstaat de aandoening ‘nieuw’ en is deze niet afkomstig van één van beide ouders. Wel kan het aangedane kind het gemuteerde gen dan zelf weer doorgeven aan zijn/haar eigen toekomstige kinderen.

Verschijnselen

De verschijnselen kunnen bestaan uit duizeligheid, hartkloppingen, flauwvallen, en in het ergste geval plotseling  verlijden. Er zijn echter ook veel personen met de erfelijke aanleg voor het Brugada syndroom die helemaal geen klachten hebben.

Diagnose

Om de diagnose goed te kunnen stellen, is de medische voorgeschiedenis van de patiënt en de familiegeschiedenis van belang. Daarnaast is lichamelijk onderzoek nodig, een hartfilmpje (ECG), een Ajmaline of Flecaïnide test, een echocardiogram, een inspanningstest en een 24- uurs ECG. De diagnose wordt altijd gesteld met behulp van het hartfilmpje. Patiënten met het Brugada syndroom kunnen drie verschillende types ECG-patronen hebben (figuur 3).

De diagnose Brugada syndroom kan alleen met zekerheid gesteld worden als er sprake is van een duidelijk type 1 ECG. Bij sommige personen is het type 1 ECG niet ‘spontaan’ aanwezig, maar kan het wel zichtbaar worden na toediening van medicatie Ajmaline of Flecaïnide). De diagnose Brugada syndroom wordt dan alleen gesteld als er ook andere problemen zijn (zoals hartritmestoornissen of een duidelijk afwijkende familiegeschiedenis voor wat betreft het Brugada syndroom).

Als iemand geen klachten heeft en een type 2 of 3 ECGpatroon heeft (ook na toediening van Ajmaline), dan kan de diagnose Brugada syndroom niet worden gesteld, maar is herhaling van de cardiologische controles wel nodig.

ECG (electrocardiogram)

Kleine plakkertjes worden op de borst, op armen en benen geplakt. Deze plakkertjes worden met draden verbonden aan een ECG-apparaat. Dit apparaat registreert de elektrische activiteit van het hart gedurende enkele seconden. Soms is herhaling van het onderzoek nodig om een betrouwbare uitslag te krijgen.

Figuur 2 laat bij A. een normaal ECG-patroon zien en een typisch Brugada-patroon bij B. Hier is zogeheten ST-segment elevatie zichtbaar bij de rode pijlen.

Figuur 3. Brugada types 1,2, en 3.

Ajmaline test

Als er mogelijk sprake is van een Brugada patroon op het ECG, zonder dat dat helemaal zeker is (bijvoorbeeld bij een type 2 of type 3 ECG), dan kan er een Ajmaline test worden overwogen. Ajmaline is een medicament dat per infuus wordt toegediend om eventueel de afwijkingen van een type 1 ECG uit te lokken en zo meer duidelijkheid over de diagnose te krijgen. Als Ajmaline niet beschikbaar is, wordt hiervoor ook wel Flecaïnide gebruikt.

Inspanningstest

Een inspanningstest wordt op dezelfde wijze gemaakt als het ECG (zoals hiernaast beschreven), maar het wordt gemaakt voor, tijdens en na inspanning op een loopband of fiets. De inspanningstest geeft eventuele veranderingen in het elektrische patroon van de hartslag tijdens inspanning aan.

Holter-registratie of 24-uurs ECG

Bij een Holter-registratie wordt een klein apparaatje aan een riem rond de middel bevestigd. Vier of zes ECG-elektrodes verbinden het apparaat met de borst. Het apparaat neemt de elektrische activiteit van het hart gedurende 24 of 48 uur op. Tijdens deze monitoring wordt door de patiënt in een dagboek bijgehouden welke activiteiten hij/ zij verricht.

Cardiomemo en event-recorders

Dit zijn variaties op de Holter-registratie die hierboven beschreven staat en deze kunnen worden toegepast als de klachten minder vaak voor komen. Tijdens klachten kan het apparaat geactiveerd worden door het op de borst te leggen waarbij het hartritme meteen wordt opgenomen/ vastgelegd. Het voordeel van een cardiomemo is dat er meestal geen elektrodes en plakkers nodig zijn.

Echocardiogram (echo)

Bij een echo van het hart wordt met behulp van geluidsgolven gekeken naar de structuur van het hart. Een echo kan verschillende afwijkende structuren vaststellen, zoals hartspierziekten en afwijkingen van de hartkleppen.

Ook een plaatselijke verdunning van de hartwand kan vastgesteld worden met behulp van een echo van het hart. Patiënten met het Brugada syndroom hebben normaal gesproken geen structurele afwijkingen aan het hart, maar meestal wordt wel éénmalig een echo gemaakt om dit te bevestigen.

MRI van het hart

Een MRI scan maakt afbeeldingen van het hart met behulp van magnetische velden. De scanner zelf is een grote tunnel met een tafel in het midden, waarop de patiënt kan liggen. De test duurt ongeveer een uur. Op een MRI is de structuur van het hart en de bloedvaten heel goed te zien, de kwaliteit van de hartspier kan in beeld worden gebracht alsmede eventueel littekenweefsel. Dit onderzoek is zinvol bij de patiënten met Brugada syndroom die verdacht worden van structurele hartproblemen

Genetisch testen

Bij ongeveer 1 op de 4 (25%) Brugada families kan een mutatie worden gevonden in het SCN5A-gen. Bij de overige 75% families met Brugada syndroom, is het onderliggende erfelijke probleem ingewikkelder. Het kan dan bijvoorbeeld veroorzaakt worden door een combinatie van mutaties in verschillende genen. 

Behandeling

De meeste patiënten met het Brugada syndroom hebben geen behandeling nodig. Als patiënten eerder hartritmestoornissen hebben gehad, of als blijkt dat ze een groot risico hebben op ernstige hartritmestoornissen dan kan de implantatie van een inwendige defibrillator (ICD) worden overwogen. Een ICD kijkt voortdurend naar de elektrische activiteit van het hart en kan gevaarlijke hartritmestoornissen herkennen. De ICD kan op maat geprogrammeerd worden, toegepast op de situatie van de individuele patiënt.

Een ICD kan snelle, ernstige hartritmestoornissen behandelen door het geven van elektrische impulsen of het geven van een elektrische schok, waarna het hartritme weer in een normaal hartritme vervalt. Een ICD bestaat uit twee delen: de batterij en de elektrische draad die het hartritme uitleest en eventuele impulsen of schokken afgeeft. De draad van een ICD kan via de bloedvaten in de rechter hartkamer geplaatst worden of onder de huid op de borst.

Biotronik ICD

Leefstijl en Sport

De volgende leefregels worden geadviseerd aan patiënten (en families) met het Brugada syndroom, om hartritmestoornissen te voorkomen: 

  • Vermijd medicatie die als bijwerking het Brugada syndroom kan verergeren. Een lijst van deze medicamenten is beschikbaar op: www.brugadadrugs.org
  • Bij koorts (temperatuur ≥ 38.5 graden Celsius), is het belangrijk om een ECG te laten maken. Sommige patiënten hebben belangrijke afwijkingen op het ECG tijdens koorts, met een verhoogde kans op hartritmestoornissen. Als het niet mogelijk is om een ECG te laten maken, dan is het van belang om de temperatuur te verlagen (en daarmee ook de kans op hartritmestoornissen) met behulp van bijvoorbeeld paracetamol.
  • Vermijd overmatig alcohol gebruik
  • Moedig naaste familieleden aan om zich ook te laten onderzoeken op verschijnselen van het Brugada syndroom.
  • Sporten is meestal gewoon mogelijk. Echter, als een patiënt ooit klachten heeft gehad tijdens inspanning, kan de specialist adviseren om niet te sporten.

De diagnose Brugada syndroom en de erfelijkheid hiervan, kan leiden tot angstige gevoelens en veel vragen. Psychosociaal medewerkers van de afdeling Cardiogenetica hebben hier ervaring mee en kunnen desgewenst begeleiding bieden.

Controle onderzoek

Uw cardioloog zal u adviseren hoe vaak controle onderzoek nodig is. Dit hangt af van de klachten, leeftijd en behandeling.

Familie onderzoek

Als de erfelijke oorzaak (mutatie) van het Brugada syndroom gevonden wordt (zie genetisch testen), dan kunnen de naaste familieleden van de patiënt (te beginnen met de eerstegraads familieleden: vader, moeder, broers/zussen en kinderen) ook genetisch onderzocht worden. Een afspraak hiervoor kan gemaakt worden bij een afdeling Cardiogenetica, na verwijzing van de huisarts. 

Familieleden waarbij dezelfde mutatie wordt teruggevonden, worden mutatiedragers genoemd en zij komen in aanmerking voor cardiologisch onderzoek door een cardioloog.
Familieleden bij wie de mutatie niet wordt gevonden kunnen soms toch aanwijzingen hebben voor het Brugada syndroom. De volledige oorzaak voor het Brugada syndroom in deze families is dan (nog) niet duidelijk. Bij deze familieleden is het dan alsnog van belang om onder cardiologische controle te blijven. 

Als er geen SCN5A-mutatie wordt gevonden in de patiënt met Brugada syndroom, dan is genetisch onderzoek bij familieleden niet mogelijk en wordt ook cardiologisch onderzoek aangeraden. 

Hoewel de meeste patiënten met Brugada syndroom geen klachten hebben tijdens de kinderleeftijd, zijn er wel uitzonderingen. Met name tijdens koorts komt het nog wel eens voor dat kinderen met de aanleg voor het Brugada syndroom klachten krijgen. Er is dan sprake van een afwijkend ECG en een kans op hartritmestoornissen. Er wordt dan ook geadviseerd om bij familieleden al in de eerste levensjaren een ECG te maken, waarna een advies voor toekomstige controles gegeven kan worden.

Brugada syndroom en zwangerschap

Er zijn geen specifieke adviezen (anders dan geschreven onder ‘leefstijl en sport’) voor moeder en kind tijdens een zwangerschap.

Medicijnen

Als je het Brugada syndroom hebt dan mag je niet alle medicijnen gebruiken. Meer informatie hierover kun je vinden op www.brugadadrugs.org

Download deze brief voor je huisarts, tandarts, apotheker etc. Hier staat in wat ze je wel en niet mogen geven. Geef daarbij ook aan dat zij zelf op brugadadrugs.org kunnen kijken.

Download ERN GUARD-Heart Patiëntinformatie

Bron: https://guardheart.ern-net.eu/

Veelgestelde vragen

Het Brugada-syndroom is een erfelijke aandoening waarbij de elektrische activiteit van het hart verstoord is. Dit kan leiden tot verschillende ritmestoornissen. Bij Brugada ziet het hart er normaal uit, maar is het ritme verstoord. Om het hart samen te laten trekken, zijn elektrisch geladen deeltjes nodig. Deze deeltjes heten ionen. De 3 belangrijkste ionen bij de prikkelvorming zijn calcium, natrium en kalium. Bij ongeveer een derde van de Brugadapatiënten is er een probleem met de natriumdeeltjes. Hierdoor stroomt er te weinig natrium de hartspiercellen binnen. Dan raakt het ritme verstoord.

Symptomen van het Brugada-syndroom kunnen zijn:

  • -duizeligheid
  • -flauwvallen
  • -een onregelmatige hartslag of hartkloppingen
  • -plotseling optredende levensbedreigende ritmestoornissen vanuit de hartkamer: ventrikeltachycardie of ventrikelfibrilleren


Niet iedereen met een erfelijke aanleg voor het Brugada-syndroom of een afwijkend ECG krijgt klachten.

De symptomen kunnen al bij kinderen voorkomen. Vaak treden ze pas op na het 30e jaar.

Het Brugada-syndroom is erfelijk. Op dit moment zijn niet alle genen (erffactoren) bekend waarin mutaties voorkomen die het Brugada-syndroom veroorzaken. Het belangrijkste bekende gen is het SCN5A-gen. Bij  twintig procent van de mensen met het Brugada-syndroom wordt een SCN5A-mutatie gevonden. Kinderen van iemand met deze mutatie hebben vijftig procent kans om het Brugada-syndroom of de aanleg ervan te erven.

Erfelijke eigenschappen liggen opgeslagen in het DNA. Een gen is een klein stukje DNA dat in een cel wordt afgelezen en waarvan “boodschapper RNA” (messenger RNA; mRNA) wordt aangemaakt. Via dit mRNA worden uiteindelijk verschillende aminozuren gemaakt en in de juiste volgorde geplaatst. Zo wordt een polypeptide gevormd. Eén of een complex van verschillende polypeptiden kan een eiwit vormen. Een mens heeft in totaal ongeveer 20.000-25.000 genen.

Het zogenaamde SCN5A-gen zorgt voor de aanmaak van een eiwit dat een belangrijk onderdeel vormt van het natriumkanaal. Dit kanaal komt met name voor in de celwand van hartspier- en bepaalde darmcellen. Als het wordt geactiveerd, stromen er natriumionen door heen, de cel binnen. Natriumionen zijn elektrisch geladen deeltjes die een belangrijke rol spelen in de elektrische activatie van de cel.

Een aangeboren fout (ook wel mutatie) in het SCN5A-gen kan leiden tot een gestoorde aanmaak of functie van het natriumkanaal. Het kanaal kan bijvoorbeeld ongewoon lang open blijven staan (en te veel natriumionen doorlaten) of juist meer gesloten zijn (er gaan dan te weinig ionen door heen). De gevolgen voor het hart zijn zeer uiteenlopend.

Mutaties in het SCN5A-gen kunnen de volgende ziektebeelden veroorzaken:

  • Lange QT-syndroom (type 3)
  • Brugada-syndroom
  • Geleidingsstoornissen
  • Atriumfibrilleren
  • Hartfalen

Soms hebben mensen met een mutatie in dit gen totaal geen aantoonbare hartafwijkingen. Over het algemeen is er wel een verhoogde kans op dodelijke hartritmestoornissen en plotse hartdood. In het maagdarmstelsel kan een verandering in het SCN5A-gen aanleiding geven tot een gestoorde darmmotoriek. Dit kan tot een spastische darm leiden, met klachten als buikpijn en obstipatie.

Genetic modifiers
De SCN5A-mutatie (delPhe1617) kent zeer uiteenlopende ziektebeelden. Zo kan het zijn dat drager X nooit hartklachten heeft, terwijl drager Y (broer van X) al op 18-jarige leeftijd is gereanimeerd vanwege een acute hartstilstand door ritmestoornissen. De onderzoekers vermoeden dat het verschil in hartklachten wordt veroorzaakt door andere erfelijke factoren. Deze andere erfelijke factoren, oftewel “genetic modifiers”, komen dus samen voor met de SCN5A-mutatie. Waarschijnlijk veroorzaken ze op zichzelf geen ziekte of hartritmestoornissen, maar mogelijk wel in combinatie met de SCN5A-mutatie andere hartaandoeningen, zoals bijvoorbeeld een hartinfarct. Wellicht kunnen bepaalde modifiers ook een beschermende werking hebben. Een belangrijk doel van de Worm Studie is om genetic modifiers te identificeren.

Het Brugada syndroom erft meestal autosomaal dominant over. Bij deze vorm van overerving
heeft elk kind van een persoon met (de aanleg voor) Brugada syndroom een risico van 50% om
de aanleg over te erven (Figuur 1). In ongeveer 20-30% van de personen met Brugada syndroom
kan een ziekteveroorzakende verandering (mutatie) worden aangetoond in het SCN5A gen. In
de meeste families is deze aanleg geërfd van één van de ouders.

Families waarin wel een mutatie is gevonden: Als bij iemand met BrS een SCN5A-mutatie is aangetoond, kunnen familieleden worden onderzocht op dragerschap van deze mutatie door middel van DNA-onderzoek in bloed. Dragers komen onder controle bij de cardioloog. Zoals hierboven beschreven, wordt bij familieleden die geen drager zijn vaak ook nog (in ieder geval eenmalig) cardiologisch onderzoek geadviseerd. Families waarin geen mutatie is gevonden In families waarin (nog) geen mutatie is gevonden die het BrS veroorzaakt, is het niet mogelijk om via DNA-onderzoek bij familieleden te testen wie wel of geen verhoogd risico op BrS heeft. In dit geval is het alleen mogelijk om de naaste familieleden door middel van cardiologisch onderzoek en eventueel een provocatietest te onderzoeken op kenmerken van BrS.

Voor kinderen van personen met het Brugada syndroom worden cardiologische controles geadviseerd vanaf ongeveer het 10e jaar, of eerder als een kind klachten heeft of wanneer er familieleden zijn bij wie de ziekte op jonge leeftijd is ontstaan. Wel is het raadzaam om op jonge leeftijd (vanaf enkele weken na de geboorte) eenmalig een elektrocardiogram (ECG of hartfilmpje) en een ECG bij koorts te laten maken en om daarna koorts te bestrijden met paracetamol. Ook adviseren we kinderen voorafgaand aan vaccinaties paracetamol te geven.

Koorts verhoogd de kans op het ontstaan van hartritmestoornissen bij kinderen en volwassen met het Brugada syndroom. Daarom wordt geadviseerd om tijdens koorts laagdrempelig koorts te onderdrukken met paracetamol.

Een gespecialiseerde arts herkent Brugada vaak op een hartfilmpje (ECG). Soms is de afwijking daar niet op te zien. Dan kan een speciaal ECG, een Signal Average Elektrocardiogram meer duidelijkheid geven. De diagnose Brugada-syndroom volgt meestal pas na een (Ajmaline) provocatietest. Bij zo’n test wekken ze de ritmestoornissen op met medicijnen.

Andere onderzoeken die je soms krijgt zijn:

Inspanningstest (fietstest) elektrofysiologisch onderzoek en/of holteronderzoek(24- of 48-uursregistratie van het hartritme)

Bij een Ajmaline provacatietest wordt via een infuus de stof ajmaline
toegediend. HIerdoor kan men nagaan of zich specifieke afwijkingen
op het hartfilmpje (ECG) voordoen. Dit onderzoek wordt uitgevoerd
door een gespecialiseerd verpleegkundige in aanwezigheid van een
cardioloog. De cardioloog kan aan de hand van het hartfilmpje (ECG)
vaststellen of u het Brugada syndroom heeft.

Het onderzoek

Een verpleegkundige brengt een aantal plakkers aan op uw borst.
Hiervoor is het nodig dat u uw bovenlichaam ontkleedt. Op de plakkers
worden draden bevestigd, waarmee u wordt aangesloten op de
hartritmemonitor, een apparaat dat uw hartritme registreert. Daarnaast
krijgt u een infuusnaald in uw arm. Hierdoor geeft de cardioloog u
iedere minuut de hoeveelheid ajmaline die hoort bij uw gewicht. Tot
slot krijgt u een bloeddrukband om uw arm, die elke twee minuten
automatisch uw bloeddruk meet. Terwijl de ajmaline inloopt, wordt elke
twee minuten een hartfilmpje (ECG) gemaakt en wordt uw bloeddruk
gemeten. Dit duurt ongeveer tien minuten. Tijdens het onderzoek
ligt u op een bed. Het is belangrijk dat u tijdens het maken van de
hartfilmpjes stil ligt. Zo ontstaat het juiste beeld van uw hartritme.

Bijwerkingen

Ajmaline kan de volgende bijwerkingen veroorzaken:

  • hoofdpijn
  • duizeligheid
  • misselijkheid
  • braken
  • dubbel/vaag zien
  • trillingen
  • tintelingen
  • het warm krijgen

Doordat ajmaline binnen enkele
minuten is uitgewerkt, verdwijnen deze klachten ook weer snel.
Tijdens het inlopen van het medicijn (ajmaline) is er een heel kleine kans
dat er ritmestoornissen optreden, waarvoor direct medisch ingrijpen
noodzakelijk is. Apparatuur en medicijnen om deze ritmestoornissen te
behandelen zijn altijd aanwezig. Daarom zijn er tijdens het onderzoek
een gespecialiseerd verpleegkundige en een cardioloog aanwezig. Als
deze ritmestoornissen op onze afdeling optreden loopt u geen enkel
risico.

Na het onderzoek

Als het onderzoek zelf klaar is, blijft u nog minimaal een uur aangesloten
op de hartmonitor. De cardioloog en de verpleegkundige kunnen zo
goed bekijken of op het hartfilmpje afwijkingen te zien zijn die duiden
op het Brugada syndroom.

Als het hartfilmpje geen veranderingen laat zien, mag u in overleg met
de arts naar huis. U mag weer alles doen wat u gewend bent.
Wanneer zich wel hartritmestoornissen hebben voorgedaan of bepaalde
veranderingen op het hartfilmpje te zien zijn, is het mogelijk dat de
cardioloog u wil opnemen ter observatie.

Brugada kan niet worden genezen. Soms heeft iemand geen klachten en zijn er geen duidelijke afwijkingen te zien bij onderzoek van het hart. Dan is behandeling niet altijd nodig. Als je een hoog risico hebt op gevaarlijke ritmestoornissen, dan is behandeling wel nodig. De meest voorkomende behandeling is het plaatsen van een ICD. Er loopt ook een onderzoek naar een speciale ablatietechniek. Voor sommige patiënten kan dat helpen. Het is nog geen reguliere behandeling, daarvoor is meer onderzoek nodig.

Sommige medicijnen kunnen de symptomen van Brugada verergeren. Dat is gevaarlijk. De cardioloog kan vertellen welke medicijnen iemand moet vermijden. Het gaat onder andere om bepaalde medicijnen: die het hartritme beïnvloeden tegen epilepsie tegen depressie Meld dus altijd bij een behandelend arts of tandarts dat iemand het Brugada-syndroom heeft. Op https://www.brugadadrugs.org/ is te vinden welke medicatie veilig en onveilig zijn.

  • Heeft u het Brugada syndroom, dan is het belangrijk dat u zich houdt aan bepaalde leefregels:
  • Koorts kan ritmestoornissen uitlokken. Daarom adviseren wij u om bij koorts >38,5 °C een elektrocardiogram te laten maken via de huisarts of via de spoedeisende hulp (SEH). Wanneer er duidelijke afwijkingen te zien zijn, kan opname met hartbewaking nodig zijn.
  • Is het ECG bij de eerste keer normaal, dan kunt u de volgende keer direct paracetamol nemen om de koorts te drukken. Is er wel een duidelijk afwijkend ECG te zien, laat dan bij de volgende keer dat u koorts heeft weer een ECG maken.
  • Wij adviseren u om via uw huisarts jaarlijks de griepprik te halen.
    Er zijn medicijnen die een verhoogd risico geven op ritmestoornissen. U krijgt deze lijst van uw behandelaar als de diagnose bij u is gesteld. U vindt deze lijst ook op http://www.brugadadrugs.org.
  • Vermijd overmatige alcoholinname en grote maaltijden.

Bij zwangerschap krijgt u vaak rond de 20 weken een extra elektrocardiogram (ECG of hartfilmpje). Wij adviseren u om te bevallen in een UMC (universitair medisch centrum), omdat er weinig ervaring is met bevallingen bij vrouwen met het Brugada syndroom.

Wanneer een erfelijke aanleg binnen de familie is aangetoond, zijn er enkele mogelijkheden
omtrent kinderwens.

  • Prenataal onderzoek tussen de 11 - 13-de zwangerschapsweek via een vlokkentest
    waarbij het testresultaat na een tweetal weken is gekend. Dit type onderzoek is enkel
    mogelijk als de oorzakelijke mutatie gekend is.
  • Pre-implantatie Genetische Diagnose of PGD waarbij via In Vitro Fertilisatie (IVF)
    embryo's worden verkregen die op dag 3 getest worden voor het Brugada syndroom
    (Figuur 3). Embryo's die geen drager zijn van de ziekteveroorzakende mutatie kunnen
    teruggeplaatst worden bij de vrouw met een kans van 25 à 30% op zwangerschap. Ook deze optie is enkel mogelijk als de oorzakelijke mutatie werd geïdentificeerd.
  • Opteren voor een spontane zwangerschap waarbij geen prenatale diagnostiek gebeurt.
    Neonataal is een nazicht door de kindercardioloog aanbevolen. Genetisch onderzoek
    kan gebeuren als de oorzakelijke mutatie is gekend.

Hartritmestoornissen behoren wereldwijd tot de belangrijkste ziekte- en doodsoorzaken. Hoewel omgevingsfactoren een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van cardiale aritmieën, tonen familiale en populatiestudies evenwel een erfelijke betrokkenheid aan. Congenitale primaire hartritmestoornissen zijn te wijten aan defecten in de elektrische eigenschappen van het – structureel normaal – hart. Dat verstoort het gecoördineerde proces van openen en sluiten van ionenkanalen en bijgevolg de actiepotentiaal in de hartcompartimenten.

Brugada syndroom is één van de meer frequent voorkomende hartritmestoornissen en wordt op een autosomaal dominante manier met variabele penetrantie en expressie overgeërfd. Aan de hand van functionele analysen konden we het precieze mechanisme dat aan de basis ligt van dat syndroom gedeeltelijk verklaren. Genetische studies slagen er tot op heden echter niet in het verder te ontrafelen. Integendeel, het handvol geïdentificeerde betrokken genen blijkt slechts voor ongeveer 20 à 30% van Brugada syndroompatiënten een verklaring te bieden. Hoog tijd dus om op zoek te gaan naar andere mogelijke causale genen. Dankzij een recente en revolutionaire technologische vooruitgang in de moleculaire genetica is dat nu ook mogelijk. Waar we tot voor kort gen per gen moesten analyseren, laat 'Next generation sequencing' toe de vele kandidaat-genen simultaan in parallel te bestuderen tot zelfs alle coderende regio's van het volledige genoom, namelijk het exoom.

De impact van gevonden mutaties en/of polymorfismen zal enerzijds fenotypisch gecorreleerd worden. Anderzijds worden ze verder in-vitro bestudeerd op transcriptie- en expressieniveau alsook electrofysiologisch.
De kliniek zal voornamelijk baat hebben bij de extrapolatie van onze mutatieanalyse en in-vitrostudies op vlak van het patiëntmanagement. Voornamelijk qua preventie, de risicostratificatie, de presymptomatische, prenatale en pre-implantatie genetische diagnose, de behandeling en de stratificatie van subklassen van patiënten verwachten we een impact.